Het Leidse studentenleven, een sfeerverslag deel 1
Liters bier, water en andere vloeibare vuiligheid stroomt de trappen af van sociëteit Minerva. De Noord-Afrikaans ogende schoonmaker duwt een tsunami vol plastic bekertjes langzaam voor zich uit. Hij kijkt er neutraal bij. “Niets nieuws onder de zon”, lijkt hij te denken.
Het is zaterdagochtend, een uur of acht. De zon probeert fel naar binnen te schijnen, maar de zware donkere gordijnen voor de ramen houden het vroege licht gemakkelijk tegen. De stank van verschraald bier vermengd met zweet, geil – en god mag weten wat voor andere corporele vloeistoffen – kan niet ontsnappen en blijft bijna zichtbaar in de lucht hangen.
De dreunende muziek van uren daarvoor is tevergeefs gestorven; blijkt als verschillende jaarclubs het in gezang tegen elkaar opnemen in de grote zaal. Ze dansen, springen op tafels en baltsen nog eenmaal – dronken, wanhopig, brutaal – met eindbazen en niet-bestaande personen.
Hoewel het kabaal anders doet vermoeden, staan de meeste aanwezigen verveeld en uitgeput te wachten op de trappen. “Waarom moeten we nog fucking blijven?” De petite blonde schone met een roze hoofdband kijkt boos naar de jongen naast haar, een ouderejaars. Hij mompelt iets onverstaanbaars en aait de schouder van het vurige meisje. Met een defaitistische glimlach geeft ze zich over aan de realiteit van de situatie. Met haar kleine handen gaat ze, net als de andere meisjes om haar heen, verder met het plukken van stukken tape van de houten vloer. De eerstejaars moeten blijven tot het einde van het feest, totdat de decorstukken van de jaarclubs opgeruimd zijn. Pas daarna wacht het bed; dat van haar of dat van hem.
Arren en knorren manoeuvreren ondertussen lichtinstallaties tussen de corporale decolletés en minirokjes met legging. Af en toe proberen ze te flirten met deze dames van klasse (“Ik ben dronken ouwe!”).
Er zijn maar kleine succesjes weggelegd voor de sjouwende mannen. Het tillen van tientallen kilo’s staal erotiseert minder dan het vooruitzicht op een warm bed. Ook het wegtakelen van de gigantische ijsbeer op de drukke trap kan maar op weinig respons rekenen. Moe en uitgeblust stappen de feuten een laf stapje opzij als het blok versiering levensgevaarlijk heen en weer schommelt boven hen. “Je moet ze gewoon wegduwen ofzo, ze gaan vanzelf wel uit de weg”, zegt een ordecommissielid blasé. Er vallen gelukkig geen gewonden of doden die ochtend.
Als tenslotte de eerstejaars richting bakker Patrick of huis vertrokken zijn, keert de rust terug aan de Breestraat nummer 50. Alleen veeggeluiden en het kabbelen van stromend water van de trappen, vult de lege ruimte. Een Minervaan in een blauw jasje slaapt zijn roes eenzaam uit in de bibliotheek. Schoonmakers schuiven in de grote zaal lege flessen champagne op een stapel bij de schouw. Het hoort erbij, straks is het hier weer schoon en proper, al blijft het hier ruiken naar jaren oud verschraald bier. Maar ook dat, is niets nieuws onder de zon.
Door: Hans Klis | 3 March 2010 | 1 Reactie
Categorie: blog, columns | tags:Tags: column, Hans Klis, Leiden, Minerva, studenten, studentenleven
Comments
1 Reactie





Eeuwig lekkers op het tentje.
(mooie zin met dat erotiseren)